Close

06-24226468 webmail@gregtheulings.nl

Autofocus en AF-Custom gebruiken op je Fujifilm X-T2 en X-T20

In deze blog vertel ik jullie alles wat je weten wil over het autofocussysteem van je Fujifilm X-T2 en X-T20. Alles? Nou ja bijna alles… ‘Want aldoende leert men’. Wel denk ik dat deze blog je extra informatie geeft hoe jij het autofocussysteem van je camera het beste kunt toepassen en waar je op moet letten. Zie het als een uitgebreide autofocusgids boordevol informatie. Het is één van mijn langste blogs, dus wat zitvlees is helaas noodzakelijk, maar ik beloof je dat het meer dan de moeite waard zal zijn….

VERBETERDE AUTOFOCUS VOOR EXTRA PRESTATIES

Een van de redenen waarom het autofocussysteem van de Fujifilm X-T2 en X-T20 zo goed is heeft te maken met de extra snelle autofocuspunten en de nieuwe ‘X-Processor Pro’ rekenprocessor die in de camera schuil gaan. Zo heb je nu de beschikking over in totaal 91 autofocuspunten, waarvan er 49 van het type fasedetectie – voor extra snelheid – zijn.

Ok, je hebt gelijk. Eigenlijk staan er in totaal 325 autofocuspunten waarvan er 169 van het type fasedetectie tot je beschikking. Maar, die ‘extra’ autofocuspunten kun je alleen allemaal selecteren wanneer je de focushendel aan de voorzijde van de camera op ‘enkelvoudig scherpstellen‘ ‘S‘ hebt ingesteld.

Wanneer je gebruik maakt van ‘continu autofocus‘ ‘C‘, heb je nog steeds de beschikking over in totaal 325 autofocuspunten, maar kun je er zelf nog maar 91 selecteren. 49 van die autofocuspunten zijn dan van het type fasedetectie. De overige autofocuspunten worden dan alleen op de achtergrond door de camera gebruikt. Ze werken daarmee dus als hulpfocuspunten zodat de camera sneller en toch accuraat kan scherpstellen op onderwerpen die bewegen.

Wanneer je gebruik maakt van ‘Continu Autofocus‘ (C), kun je ook gebruik maken van de vijf beschikbare autofocus presets. Wanneer je een Fujifilm X-T2 gebruiker bent heb je zelfs nog de beschikking over een zesde mogelijkheid voor het instellen van het autofocussysteem. Deze zesde instelling kun je zelfs helemaal naar eigen hand zetten door gebruik te maken van de drie daarvoor beschikbare parameters. Maar voordat ik daarop verder ga wil ik je eerst wat meer uitleggen over de andere autofocusmogelijkheden die jou ter beschikking staan.

HET VERSCHIL TUSSEN ‘S’, ‘C’ en ‘M’

Er is een verschil in de wijze waarop je Fujifilm camera scherp stelt tussen de focushendel voor op de camera in stand ‘S‘, ‘C‘ en ‘M‘.

‘S’ IS VOOR ENKELVOUDIG SCHERPSTELLEN

Wanneer je de focushendel aan de voorzijde van de camera op stand ‘S‘ plaatst betekent dit dat de camera wordt ingesteld op ‘enkelvoudig‘ scherpstellen. Het volgen en fotograferen van bewegende onderwerpen is daarbij eigenlijk niet goed mogelijk.

Dat komt omdat het autofocussysteem zal stoppen met scherpstellen op een te fotograferen onderwerp, zodra de camera zijn scherpte heeft verkregen. Wanneer je ooit een Canon camera hebt gebruikt dan weet je dat ze dit daar ‘One Shot Focus’ noemen. Bij een Nikon camera noemen ze dit ‘AF-S”.

‘C’ IS VOOR CONTINU SCHERPSTELLEN

Wanneer je de focushendel aan de voorzijde van de camera instelt op stand ‘C‘ geef je het autofocussysteem in de camera de mogelijkheid om ‘continu‘ scherp te stellen. De camera begint dan met scherpstellen op een onderwerp dat zich binnen het scherpstelkader bevindt en zal het onderwerp blijven volgen zolang je de ontspanknop van de camera half ingedrukt houdt

In deze stand zal de camera automatisch scherpstellen op een te fotograferen onderwerp en zal daarna telkens opnieuw berekenen of de verkregen scherpte nog correct is. Zo past de camera de scherpstelling dus continu aan. Deze manier van scherpstellen is dus handig om te gebruiken bij onderwerpen die bewegen. Bij een Canon camera heet deze stand ‘Servo AI’ bij een Nikon camera noemen ze dit AF-C.

FOCUSHENDEL STAND ‘S’ OF ‘C’ GEBRUIKEN?

De keuze om de focushendel aan de voorzijde van de camera op ‘S‘ of ‘C‘ in te stellen is niet alleen gelegen in het verschil tussen het fotograferen van stilstaande of bewegende onderwerpen. Er zijn een tweetal belangrijke redenen om de focushendel aan de voorzijde op de camera  in de ‘juiste’ stand te plaatsen. Die hendel is dus niet voor niets aanwezig op je Fujifilm camera.

Stroomverbruik

Zoals je wellicht weet gebruikt een systeemcamera — en dus ook je Fujifilm camera — veel stroom. Wanneer je het autofocussysteem van je camera instelt op stand ‘S‘ kun je namelijk veel stroom besparen. Dat komt omdat de camera slechts één keer hoeft scherp te stellen op een te fotograferen onderwerp en daarbij dus niet continu een beroep hoeft te doen op de scherpstelmotor in je ‘lens’.

Stel je de focushendel op je camera in op stand ‘C‘, dan zal de camera continu blijven scherpstellen, ook als het te fotograferen onderwerp niet of nauwelijks beweegt. Dit kost uiteraard extra veel stroom en daardoor zal de accu van je camera in focusstand ‘C’ sneller leeg raken.

De hoeveelheid licht die de sensor kan vangen

Er is een verschil in de manier waarop de camera scherp stelt tussen de focusstand ‘S‘ en ‘C‘. Wat daarbij voor jou belangrijk is om te weten, is dat het autofocussysteem van een systeemcamera geïntegreerd is op de sensor zelf. Dit in tegenstelling tot het autofocussysteem van een spiegelreflexcamera, waarbij dit systeem is ondergebracht in een aparte module.

De hoeveelheid licht die de sensor kan bereiken is bij een systeemcamera – zoals je Fujifilm camera uit de X-Serie – bepalend voor de snelheid en nauwkeurigheid waarmee de camera kan scherpstellen. Als de lichtopbrengst op de sensor van een systeemcamera lager wordt, zal de snelheid waarmee de camera kan scherpstellen afnemen. Dat merk je op het moment dat je camera ongedurig en nerveus scherp stelt.

Een groot diafragma voor méér lichtopbrengst

Staat de focushendel op de camera ingesteld op stand ‘S‘, dan zal de camera altijd scherpstellen met het grootst mogelijke diafragma. Ook wanneer je voor een klein diafragma gekozen hebt.

Dat is handig, want zoals je zojuist al gelezen hebt kan een systeemcamera alleen scherpstellen als er voldoende licht op de sensor kan vallen.

Doordat de camera in deze stand gebruik maakt van een (extra) groot diafragma zal de sensor in je camera zo het meeste licht vangen. De camera gaat daarbij pas diafragmeren op het moment dat je de ontspanknop doordrukt om een foto te maken.

Het voordeel van deze methode is dat je camera zo trefzekerder kan scherspstellen op een onderwerp. Ook als er weinig omgevingslicht is, of wanneer er weinig contrastverschil te zien is. Het nadeel van deze methode is dat er tussen het indrukken van de ontspanknop en het maken van de foto een klein tijdsverschil waarneembaar kan zijn. Dat tijdverschil wordt dus veroorzaakt doordat de camera in deze stand ‘S‘ pas op het moment van afdrukken gaat diafragmeren.

Het ingestelde diafragma voor extra snelheid (…of ergernis)

Wanneer de focushendel op de camera ingesteld staat op stand ‘C‘, dan zal de camera scherpstellen op de door jou ingestelde diafragmawaarde. Dat is handig omdat de camera dan snel een foto kan maken op het moment dat je de ontspanknop indrukt. Er is dan dus heel weinig vertraging tussen het indrukken van de ontspanknop en het maken van de foto.

Ieder voordeel heeft zijn nadeel… Zo ook als de focushendel aan de voorzijde van de camera staat ingesteld op stand  ‘C‘.  Want, als er onvoldoende omgevingslicht is. Of doordat het objectief te ver is gediafragmeerd kan je camera juist moeite hebben met scherpstellen. Dat komt dan doordat de sensor dan onvoldoende belicht wordt om een goede scherpstelmeting te kunnen verrichten.

Je camera stelt immers scherp met het ingestelde diafragma. Het scherpstellen zal dan niet of juist vertraagd plaats vinden. Dat levert op zo’n moment dus juist ergernis op in plaats van extra snelheid!

Gebruik je dus ‘lenzen’ met een klein diafragma, of met een diafragmaverloop hou er dan rekening mee dat de camera in deze stand misschien minder goed presteert dan je had gehoopt. Zeker als er sprake is van onvoldoende omgevingslicht kunnen deze problemen optreden. Het verhogen van de ISO waarde kan je in een dergelijke situatie soms uit de brand helpen. Is het licht overigens wél goed en gebruik je een groot diafragma, dan deze scherpstelmethode de snelste die je kunt verkrijgen.

‘M’ OF ‘BACK BUTTON FOCUS’

Wanneer je de focushendel op je camera instelt op stand ‘M‘ dan doe je dat omdat je handmatig wil scherpstellen door aan de scherpstelring van een objectief te draaien, óf omdat je gebruik wil maken van een scherpstelmethode die we meestal ‘Back Button Focus’ noemen. De ontspanknop bovenop de camera half ingedrukt houden werkt dan niet als autofocusknop’. Met de toets AF-L achterop de camera kun je in deze stand alsnog automatisch scherpstellen.

‘Back Button Focus’ wordt door Fujifilm overigens ‘Instant AF’ genoemd. In het menu onder de optie ‘AF/MF’ kun je onder de optie ‘instant AF instelling’ aangeven of de AF-L toets achterop de camera continu moet kunnen scherpstellen (C) of dat een enkelvoudige scherpstelling (S) voldoende is.

Deze optie kan aangevuld worden met de optie AF+MF, waarbij je na het verkrijgen van de scherpstelling via de AF-L knop de scherpstelring nog kunt verdraaien zodat je het scherpstelvlak eventueel verder naar voren of achteren kunt leggen.

Wanneer de camera staat ingesteld met de scherpstelhendel op stand ‘M’, kun je alleen gebruik maken van ‘Punt AF’. Andere scherpstelmethodes zijn dan niet beschikbaar.

’S’ – ‘CL’ – ‘CH’ – EN WAAROM IK VOOR CL KIES!

Bovenop je camera zit de ‘drive’ hendel, hier kun je kiezen uit ’S’ voor Single Shot, ‘CL’ voor Continu Laag en ‘CH’ voor Continu Hoog. De opties ‘CL’ en ‘CH’ zijn dus voor het maken van continu opnames en ’S’ voor het maken van een enkelvoudige opname.

Nu zul jij je misschien afvragen waarom dit belangrijk is voor het autofocussysteem van je camera. Het aantal te maken opnames per seconde en de wijze waarop je camera scherp stelt lijkt in principe los van elkaar te staan… Maar zo eenvoudig ligt het niet!

S’ – De enkelvoudige opname instelling is handig voor al die onderwerpen die niet of nauwelijks bewegen, of als je écht maar één foto van dat moment nodig hebt. Wanneer de camera staat ingesteld op ’S’ zul je bijna altijd wel in staat moeten zijn om een ‘scherpe’ opname te maken.

Dat wil zeggen, als je de focus prioriteit in het menu van je camera op ‘focus’ hebt ingesteld, waarbij de camera altijd eerst zal proberen scherp te stellen voordat hij de foto maakt. Dat is langzamer, maar vaak wel trefzekerder.

Uiteraard is het altijd verstandig om je camera de tijd te geven om scherp te kunnen stellen. Als je direct de sluiterknop doordrukt loop je uiteraard altijd het risico op een onscherpe opname. Geef je camera dus even de tijd voordat je doordrukt!

CONTINU OPNAMES

Tot zover dus eigenlijk niets aan de hand. Dat verandert echter zodra je de drive hendel op de camera naar CH of CL draait. Het is dus niet voor niets dat je in het menu van de camera kunt aangeven hoeveel beelden per seconde er gemaakt mogen worden voor het maken van continu opnames.

CL’ – Continu Laag kun je instellen op 3, 4 of 5 opnames per seconde.

CH’ – Continu hoog stelt je in staat om 8, 11 of zelfs 14 opnames per seconde te maken.

Voor wie niet beter weet ligt het dus voor de hand om de camera in te stellen op de stand ‘CH – Continu Hoog’ in combinatie met 8 of zelfs 11 opnames bij een Fujifilm X-T2. — De opnamestand 14 opnames per seconde is alleen mogelijk bij gebruik van de elektronische sluiter —.

Toch zie ik het persoonlijk als ‘minder verstandig’ om deze snelheden te kiezen als instelling op je camera, ondanks dat je in de specificaties kunt lezen dat je tot wel 8 opnames per seconde kunt maken.

De reden daarvoor is drieledig;
Enerzijds zal de zoeker moeite hebben met het verversen van het beeld en waardoor het lastiger wordt om een bewegend onderwerp vloeiend te kunnen blijven volgen.

Anderzijds zal de camera moeite hebben met het voldoende goed kunnen scherpstellen op onderwerpen die snel bewegen. Daardoor wordt de kans op onscherpe foto’s aanzienlijk groter.

Een derde en niet geheel onbelangrijke reden is dat wanneer je gekozen hebt voor CH (Continu Hoog) én gebruik maakt van Zone-AF óf van Wide Area AF, het aantal beschikbare autofocuspunten wordt teruggebracht tot maximaal 49. Alleen de 49 hybride autofocuspunten kunnen dan worden gebruikt om scherp te stellen.

Afbeelding: © Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden

Zwart: Blackouttijd (tijd dat je niets door de zoeker ziet)
Grijs: Live view tijd (tijd dat je door de zoeker kunt kijken en de camera een scherpstelmeting kan verrichten)
Rode driehoekjes: Aantal scherpstelmomenten

Zoals je kunt zien in de bovenstaande afbeelding hebben we te maken met een zogenoemde ‘blackout’ tijd – dat is de tijd dat we niets door de zoeker kunnen zien – en de tijd dat de zoeker tot onze beschikking staat.

Die ‘blackout’ tijd bestaat uit de tijd dat de sluiter gesloten is en de tijd die de processor in de camera nodig heeft om weer beeld te kunnen weergeven. Die tijd kunnen we nooit gebruiken om een onderwerp te volgen en kan door de camera ook niet gebruikt worden om een scherpstelmeting te kunnen verrichten.

De tijd dat we niets door de zoeker kunnen zien is daarom altijd hetzelfde. Dit betekent dus, dat hoe minder opnames per seconde we maken, hoe langer je iets door de zoeker kunt bekijken. Bovendien kan de camera alleen een scherpstelmeting verrichten als de sensor en zoeker beschikbaar zijn.

Gebruik je een Fujifilm X-T20 of een X-T2 zonder boostergrip, dan is de ‘blackout’ altijd minimaal 0,13 seconde. Maak je gebruik van de boostergrip op een Fujifilm X-T2, dan wordt die tijd verkort naar 0,114 seconde.

Nu lijkt het verschil tussen zonder en mét boostergrip misschien niet veel, maar het komt uiteindelijk wel neer op ongeveer 1 extra foto per seconde.

Immers 0,13 x 7 opnames => 0,91 seconde tegenover 0,114 x 8 opnames => 0,912 seconde. De tijd die ‘over’ is, kunnen we dus gebruiken om door de zoeker te kijken. Bij 8 opnames per seconde is dat ongeveer 0,09 seconde.

Om die reden wordt het beeld bij 8 opnames per seconde slechts éénmaal per seconde ververst. Je kunt je voorstellen dat het daardoor lastig wordt om een zeer snel bewegende onderwerpen zo te kunnen blijven volgen.

In deze stand (Continu Hoog) kent het autofocussysteem bovendien maar 3 meetmomenten voor autofocussysteem om scherp te kunnen stellen. De kans op fouten of een misrekening wordt daardoor groter.

CL – CONTINU LAAG VOOR MEER CONTROLE

Het is dus leuk dat je 8 of zelfs 11 opnames per seconde kunt maken. De toepasbaarheid wordt erbij wel enigszins beperkt door de huidige staat van de techniek.

Beter is het mijn inziens om je daarom te beperken tot een lager aantal opnames per seconde. Je verlengt daarbij niet alleen de tijd dat je wat door de zoeker kunt zien om een onderwerp te volgen. Je geeft de camera bovendien veel meer tijd om tussendoor scherp te kunnen stellen. De camera is dan ook in staat om tussen iedere opname door tot drie keer toe een AF-meting te verrichten.

In plaats van 3x per seconde bij 8 opnames, kan de camera bij 5 opnames in een seconde tot wel 15x een scherpstelmeting verrichten!

Je kunt je ongetwijfeld voorstellen dat dit een enorm verschil maakt in de succesfactor.

TIP: Wist je overigens dat je in de stand ‘CL’ ook een enkelvoudige opname kunt maken? Dat kan sinds versie v1.10 op je Fujifilm X-T2, door slechts heel kort de ontspanknop in te drukken. Sinds dit mogelijk is geworden gebruik ik mijn camera eigenlijk altijd in de stand CL, omdat je zowel een enkelvoudige opname als meervoudige opnames kunt maken.

WELKE SCHERPSTELMETHODE GEBRUIKEN?

‘Punt AF’, ‘ Zone-AF’ én ‘Wide Area AF Tracking’, dat zijn de keuzes die je moet maken op het moment dat jij wil gaan fotograferen.

Om die keuze te bepalen stel ik mijzelf altijd de volgende vraag:

Het onderwerp dat ik wil fotograferen kent veel beweging?

Is het antwoord op deze vraag ‘Nee‘, dan stel ik mijn camera in op ‘S – Enkelvoudige focus’ en kies ik altijd voor ‘Punt AF’.

Is het antwoord op deze vraag ‘Ja‘, dan stel ik mijn camera in op ‘C – Continu focus’ en kies ik voor ‘Punt AF’ óf voor ‘Zone-AF’.

PUNT-AF

Punt AF’ spreekt voor zich. Althans, dat zou je denken. Toch licht ik deze functie graag nog even toe, omdat je vast niet alles even duidelijk is.

Punt AF is beschikbaar als de focushendel voor op je camera staat ingesteld op ‘S’, ‘C’ of ‘M’ (via AF-L). Dit is de standaard schersptelmethode van je camera. Jij kiest zelf het scherpstelpunt en de camera stelt vervolgens op het te fotograferen onderwerp scherp via het door jou gekozen scherpstelpunt.

Bij onderwerpen die niet bewegen

Wanneer de focushendel op je camera staat ingesteld op ‘S’ of ‘M’ is het gebruik van Punt AF uitermate geschikt voor het fotograferen van een grote variëteit aan onderwerpen. Van portretten, reportages en landschappen tot studiowerk en conceptuele creatieve fotografie.

Bij onderwerpen die bewegen

Wanneer Punt AF wordt toegepast op bewegende onderwerpen, kun je de focushendel op de camera het best omzetten naar stand ‘C’, zodat de camera continu kan blijven scherpstellen op het te fotograferen onderwerp.

Enkelpunt AF werkt het beste op onderwerpen die je makkelijk binnen het focusmeetgebied kunt houden en daardoor eenvoudig te volgen zijn. Je gebruikt het dus veelal voor onderwerpen die naar je toe komen, van je af bewegen of die zich in een parallelle richting (van links naar rechts of van rechts naar links) ten opzichte van de camera bewegen.

Voor hele snelle onderwerpen, of onderwerpen die zich minder voorspelbaar voortbewegen kun je beter Zone-AF of Wide Area Tracking AF gebruiken. Gezichtsdetectie AF is overigens een variatie op enkelpunt AF en eigenlijk alleen geschikt voor het fotograferen van mensen en portretten.

Tot zover zul je ongetwijfeld zeggen ‘dit wist ik wel’ …en dat is maar goed ook!
Maar wat je misschien niet weet, of onvoldoende beseft is dat je punt AF kunt instellen op vijf verschillende standen.

Deze standen kun je opdelen in verschillende types; ‘Spot AF’, ‘Punt AF’ en ‘Vergroot Punt AF’.

Door achterop de camera op de joystick (Fujifilm X-T2) te klikken en vervolgens aan het draaiwieltje achterop de camera te draaien kun je de grootte van het AF-meetgebied in punt AF aanspassen.

‘Spot AF’

De kleinste twee AF gebieden kun je zien als ‘Spot AF’. In tegenstelling tot wat veel mensen denken heeft een kleiner autofocuspunt he-le-maal níets van doen met een nauwkeurigere scherpstelling!!!

Sterker nog! Met een kleiner autofocuspunt is het voor de camera zélfs lastiger om goed scherp te kunnen stellen. Ook zal er door gebruik van een kleiner autofocuspunt géén snellere autofocus worden verkregen. Het tegenovergestelde is eerder waar!

Als je met ‘Spot AF’ niet nauwkeuriger kunt scherpstellen en bovendien ook nog niet eens sneller scherp kunt stellen, waar gebruik je ‘Spot AF’ dan voor?

‘Spot AF’ — ofwel een kleiner scherpstelpunt — gebruik je om ergens tussendoor te fotograferen, óf wanneer je op een heel klein specifiek gedeelte (bijvoorbeeld bij macro opnames) wil scherpstellen.

Iedere camera – ongeacht merk – is zo geprogrammeerd dat hij altijd zal scherpstellen op het voorste object binnen het beschikbare scherpstelmeetgebied. Wanneer er een obstakel is door iets dat zich bijvoorbeeld half voor het te fotograferen onderwerp bevind, loop je het risico dat de camera zal scherpstellen op dat obstakel in plaats van op het te fotograferen onderwerp.

Afbeelding: US Airforce – Creative Commons License.

Stel je wil scherpstellen op de ogen van een straaljagerpiloot, maar de piloot draagt een helm. Dan is er een gerede kans dat de camera normaal gesproken zou scherpstellen op de helm van de piloot en niet op zijn ogen. Door het autofocuspunt nu te verkleinen, maak je daarmee het scherpstelgebied kleiner. Je kunt nu tussen de vizier door fotograferen en waardoor je alsnog kunt scherpstellen op de ogen van de straaljagerpiloot.

Een ander voorbeeld zou kunnen zijn, dat je een dier in de dierentuin wil fotograferen. Het hekwerk blokkeert een vrij zicht op het te fotograferen dier. Normaal gesproken zou de camera scherpstellen op het hekwerk en niet op het dier dat je juist graag zou willen fotograferen. Door het scherpstelpunt te verkleinen kun je tussen de spijlen van het hekwerk door fotograferen en zo fotografeer je dan het dier in plaats van de spijlen van het hekwerk.

Doordat je bij ‘Spot AF’ het scherpstelgebied verkleint, verklein je daardoor ook het meetgebied.

Is er dus onvoldoende contrast aanwezig, of wordt het scherpstelgebied (AF-Punt) zo klein dat je alleen een helder vlak in het meetgebied hebt, dan zal de camera moeite hebben met het verkrijgen van de juiste scherpstelling. Spot AF gebruik je dus alleen als de situatie daarom vraagt.

‘Punt AF’

Standaard staat de camera ingesteld op ‘Punt AF. Dit is de vierde van de zes verschillende afmetingen die je aan het autofocuspunt kunt meegeven.

Deze instelling voldoet over het algemeen het beste. Het meetgebied is niet te groot én niet te klein, waardoor je de meeste onderwerpen er eenvoudig mee kunt fotograferen zonder dat obstakels je in de weg zitten, of zonder dat het meetgebied te klein wordt. Gebruik je ‘Punt AF’, dan is deze instelling de beste instelling om mee te beginnen. Laat je dus niet verleiden door te denken (of te geloven), dat je met een kleiner autofocuspunt accurater kunt scherpstellen. Je verkleint dan alleen het meetgebied. De standaard instelling geeft vaak gewoon het beste resultaat.

Afbeelding: Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden.

“Vergroot Punt AF”

Het vergroten van het autofocuspunt naar stand vier of vijf, doe je wanneer de camera moeite heeft met scherpstellen op een onderwerp. Bijvoorbeeld omdat het omgevingslicht niet optimaal is of omdat je wil fotograferen in een situatie waarbij er slechts kleine contrastverschillen zichtbaar zijn.

Door het vergroten van het autofocuspunt maak je het meetgebied groter. Je camera kan daardoor dan eenvoudiger scherpstellen op een onderwerp. Het nadeel van een zo’n extra groot autofocuspunt is dat scherpstelsysteem kan worden gehinderd door obstakels.

Vergroot Punt AF is ook handig om te gebruiken bij het fotograferen van bewegende onderwerpen in combinatie met de scherpstelhendel op stand ‘C’. Zo kun je eenvoudig onderwerpen fotograferen die op je af komen, zich van jou af bewegen of die van links naar rechts / rechts naar links bewegen.

Afbeelding: Christ. Alder – Creative Commons License.

ZONE-AF

Zone-AF kun je gebruiken wanneer de focushendel voor op de camera op stand ‘S’ staat, maar een écht verstandige keuze is dat niet! De toegevoegde waarde van Zone-AF is in deze camerastand niet erg groot. Met name omdat je meer controle verliest dan dat je ermee wint. In deze combinatie maak je van je mooie Fujifilm camera niets meer of minder dan een luxe point-and shoot.

Zone-AF gebruik je voor onderwerpen die bewegen!

Dat geheel verandert echter wanneer je de focushendel aan de voorzijde van de camera instelt op ‘C – voor continu autofocus’.  Zone-AF wordt dan ineens een krachtig hulpmiddel voor het fotograferen van bewegende onderwerpen, omdat het objecten in 3D kan tracken.

De toepasbaarheid van Zone-AF komt overigens vooral tot zijn recht in combinatie met wat ‘langere lenzen’. Dat wil zeggen objectieven met een telebereik en dus grotere brandpuntsafstanden.

Zone-AF gebruik je voor onderwerpen die zich vaak net even wat sneller voortbewegen en onderwerpen die zich over een wat groter autofocusgebied kunnen begeven. Denk aan bijvoorbeeld paarden-, motor- en autosporten of diverse veldsporten.

Ook bij gebruik van Zone-AF kan het autofocusmeetgebied groter en kleiner worden gemaakt. Je kunt daarbij kiezen tussen een zone die bestaat uit 3×3, 5×5 of 7×7 autofocuspunten.

Een kleine zone vergroot de betrouwbaarheid, maar het is tegelijkertijd ook lastiger om het onderwerp binnen het focuskader te houden. Een grote zone, maakt het gebruik van Zone-AF onbetrouwbaarder. Dat wil zeggen; de kans dat de camera op het verkeerde object zal scherpstellen wordt dan aanzienlijk groter. Tegelijkertijd maak je het jezelf wel makkelijker om een onderwerp te kunnen volgen.

De truc is dus om de grootte van de AF-zone correct te kiezen. Dat is natuurlijk niet zo eenvoudig, want wat is correct? Correct is een AF-Zone die niet te groot is voor het te fotograferen onderwerp, om zo de foutmarge te verkleinen. Terwijl tegelijkertijd de AF-Zone ook niet te klein mag zijn, zodat je het onderwerp goed kunt blijven volgen. Om die reden begin ik zelf altijd met een zone die niet groter is dan 5×5 autofocuspunten.

Afbeelding: Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden.

Bij gebruik van Zone-AF kun je alleen het gebied aangeven waarbinnen de camera moet scherpstellen. De daadwerkelijke autofocuspunten die de camera gebruikt om scherp te stellen worden automatisch door de camera bepaald. De meting begint altijd vanuit het midden van de gekozen zone.  Om scherp te stellen en een ‘vergrendeling’ te verkrijgen gebruik je dus dat kruisje (midden van de zone) als initieel scherpstelpunt.

Zone-AF kan worden toegepast op alle beschikbare autofocuspunten binnen het beschikbare focuskader. Toch is het verstandig het scherpstelgebied binnen het gebied te houden dat bestaat uit de 49 autofocuspunten van het type ‘fasedetectie’. Deze autofocuspunten kunnen namelijk veel sneller scherpstellen dan de contrastdetectie autofocuspunten die buiten dit gebied liggen.

Stel je de ‘drive’ hendel in op ‘CH’ voor het maken van meervoudige opnames met een snelheid van 8 of 11 beelden per seconden dan zal het aantal beschikbare autofocuspunten zich beperken tot de 49 beschikbare fasedetectie autofocuspunten. De buitenste contrastdetectie autofocuspunten komen daarbij te vervallen.

WIDE AREA TRACKING AF

Wide Area Tracking is geschikt voor het volgen en fotograferen van objecten waarvan het moeilijk te voorspellen is welke richting het te fotograferen onderwerp zich zal gaan begeven.

Zodra het te fotograferen object door het autofocussysteem is gedetecteerd kan de camera het onderwerp volgen over alle beschikbare autofocuspunten. Zo zijn groothoekobjectieven of objectieven met een normale kijkhoek ideaal om te gebruiken in combinatie met deze autofocusoptie.

Wanneer onbekend is waar het te fotograferen onderwerp in beeld komt, kun je het beste kiezen voor het middelste autofocuspunt om het volgsysteem te starten. Stel scherp op het te fotograferen object en laat de camera vervolgens het onderwerp volgen, of beweeg de camera zodanig dat deze door jou mooi kan worden gekaderd.

Doordat bij dit type autofocus alle beschikbare autofocuspunten kunnen worden gebruikt is dit systeem uitermate geschikt voor onderwerpen waarvan vooraf niet goed bekend is welke richting het onderwerp exact zal volgen.

Tegelijkertijd zijn de situaties waarin dit volgsysteem kan worden gebruikt redelijk beperkt. Dat wil zeggen als het te volgen object niet voldoende groot is, dan zal het volgsysteem moeite hebben om de focusvergrendeling te behouden .

Dat is mede ingegeven doordat  het autofocussysteem zelf een inschatting zal maken van ‘wat’ het te fotograferen onderwerp is, en ‘welke’ richting deze uit zal gaan. De kans dat de camera uiteindelijk toch op een ‘verkeerd’ object scherp stelt is bij gebruik van Wide Area Tracking AF zeker aanwezig!

Wide Area Tracking AF is ideaal om te gebruiken bij het volgen van bewegende onderwerpen, terwijl de camera op een statief is geplaatst. Fotografeer je echter uit de hand of vanaf een éénpoot en kun je het te fotograferen onderwerp op deze manier goed volgen, dan is het gebruik van Zone-AF een betere keuze!

Afbeelding: nh53 – Creative Commons License.

AF-CUSTOM

Fujifilm heeft het zwakste punt van haar camera’s opgelost door een geheel nieuw autofocussysteem te introduceren. De beleving tussen het ‘oude’ autofocussysteem zoals we die vinden in de X-T1 en X-T10 en de huidige Fujifilm X-T2 en X-T20 is behoorlijk groot. De ergernissen van weleer zijn met de komst van deze nieuwe modellen verdwenen.

De toevoeging van Fujifilm om ook verschillende autofocusinstellingen mogelijk te maken voor verschillende fotografische situaties met de optie AF-C — dat staat voor Autofocus Custom Settings — maakt het gebruik van deze camera’s nog eens flink veelzijdiger.

Voor de Fujifilm X-T20 gaat op dat je alleen kunt kiezen uit vijf vooringestelde voorinstellingen, daar waar de Fujifilm X-T2 over een zesde voorkeursinstelling beschikt die je geheel naar eigen hand kunt instellen. Het gebruik van de AF-C instelling is vooral enorm handig omdat je naar gelang de situatie je het autofocussysteem van de camera anders kunt laten reageren voor het volgen en fotograferen van een onderwerp.

Ik heb ondertussen al flink geëxperimenteerd met het nieuwe autofocussysteem en de AF-C instellingen en wil graag met jullie mijn kennis hierover delen. Met alle liefde vertel ik daarom welke verschillende instellingen er zijn, wat ze doen, hoe ze werken. Zo leer je precies welke van de instellingen het meest geschikt is om te gebruiken voor een bepaalde situatie.

AF-C CUSTOM PARAMETERS

Het vernieuwde autofocussysteem en de AF-C voorinstellingen zijn gebaseerd op een drietal parameters, waarmee het systeem zal reageren op het volgen en fotograferen van bewegende onderwerpen. Het is belangrijk dat je begrijpt waar deze parameters exact voor dienen en wat ze doen. Ze bepalen namelijk in grote mate hoe de camera en het autofocussysteem moet reageren op bepaalde situaties. Alleen als je begrijpt wat deze parameters doen, begrijp je ook de verschillende voorinstellingen en hoe de camera daarop reageert.

Tracking gevoeligheid / Obstakels negeren

De eerste van die drie parameters heet ‘Tracking Gevoeligheid’. Het bepaald hoe het autofocussysteem van de camera moet reageren op objecten of obstakels op de voorgrond en daarmee het zicht op het te fotograferen object tijdelijk ontnemen.

Het autofocussysteem van een camera is normaal gesproken zo geprogrammeerd dat deze altijd op het voorste object wil scherpstellen. Wanneer het uitzicht op het onderwerp dat je volgt tijdelijk wordt geblokkeerd door een ander object, dan zou normaal gesproken de camera direct scherpstellen op het object dat het zicht op het onderwerp blokkeert.

Met deze functie kun je een vertraging instellen, zodat de camera niet direct op de ‘blokkade’ reageert wanneer je het te fotograferen onderwerp tijdelijk uit het zicht verliest.

Stel je de tracking gevoeligheid in op ‘0’ (nul), dan zal de camera direct reageren en scherpstellen op een nieuw object dat zich voor het te fotograferen object bevindt. Bijvoorbeeld een blokkade die tijdelijk het zicht op het te fotograferen onderwerp ontneemt.

Stel je deze gevoeligheid in op ‘4’, dan zal de camera ±1.2 seconde wachten voordat hij gaat scherpstellen op dit nieuwe object. Iedere stap op deze schaal geeft een extra vertraging van 0.3 seconde.

Snelheid tracking gevoeligheid / Versnellen en Vertragen

De parameter ‘snelheid tracking gevoeligheid’ is van invloed hoe de camera moet reageren op versnelling of vertraging van een te fotograferen onderwerp. Deze instelling is belangrijk omdat de camera bij het volgen en fotograferen van bewegende onderwerpen alvast vooruit denkt. Op basis daarvan wordt de autofocus continu aangepast, zodat een onderwerp altijd scherp in beeld kan blijven.

De snelheid en nauwkeurigheid waarmee de camera kan scherpstellen is in grote mate afhankelijk van het type autofocuspunt (contrastdetectie of fasedetectie) dat de camera kan of moet gebruiken.

‘Snel’ scherpstellen gaat beter met de zogenoemde fase-detectie AF punten dan met contrastdetectie autofocus. Tegelijkertijd zijn de contrast detectie autofocuspunten weer net even een klein beetje nauwkeuriger dan de fase-detectie AF punten. Daarbovenop komt nog eens dat voor fasedetectie AF voldoende licht noodzakelijk is, terwijl contrastdetectie juist weer beter kan zien als het licht wat minder contrastrijk is.

Je kunt je zo misschien voorstellen dat het autofocussysteem van je camera zo bij meer gelijkmatig bewegende onderwerpen meer kan leunen op contrastdetectie, dan op fasedetectie. Dat verhoogd de nauwkeurigheid en dat komt ten goede aan de scherpte. De camera heeft hierbij wel iets meer tijd nodig om vooruit te kunnen denken.

Tegelijkertijd, als het te fotograferen onderwerp juist veel snelheidswisselingen kent, moet de camera snel kunnen reageren op die verschillen in snelheid. Dat gaat beter als de camera iets meer leunt op fasedetectie, dan op contrastdetectie. De camera kan dan sneller vooruit denken, waardoor hij beter een snelheidswisseling kan opvangen.

De parameter ‘Snelheid Tracking Gevoeligheid’ geeft je drie opties ‘0‘, ‘1‘ of ‘2‘.
Wanneer je de camera instelt op ‘0‘ gaat de camera er van uit dat het te fotograferen onderwerp, weinig wisseling in snelheid zal hebben. De camera zal daarbij meer kunnen leunen op contrastdetectie voor extra scherpte.

Wanneer het te fotograferen onderwerp juist wél veel snelheidswisselingen kent zet je deze instelling op ‘2‘. De camera leunt daarbij dan meer op de fasedetectie AF punten dan op de contrastdetectie AF punten. Een instelling van ‘2‘, is het meest betrouwbaar als er voldoende licht op de sensor kan vallen. Deze instelling is daarom zeer geschikt om te worden gebruikt in de buitenlucht en bij voldoende omgevingslicht.

Als het onderwerp toch redelijk veel snelheidswisselingen kent, maar het licht is tegelijkertijd niet helemaal optimaal, dan kies je voor optie ‘1‘. De camera heeft hierbij geen echte voorkeur voor het gebruiken van contrast- of fasedetectie. Zo kun je bij iets minder goed licht toch goed bewegende onderwerpen volgen en fotograferen. Bij het fotograferen van diverse zaalsporten zul je dus eerder ‘1‘ kunnen gebruiken dan een instelling van ‘2‘.

Zonegebied wisselen

De parameter ‘zonegebied wisselen’ wordt alleen gebruikt als het autofocussysteem van de camera staat ingesteld op ‘Zone-AF’. Met deze optie geef je aan binnen welk gedeelte van de zone er scherpgesteld moet worden. Bij gebruik van ‘Zone-AF’ houdt het autofocussysteem namelijk niet alleen rekening met de snelheid, maar ook rekening met de verschillen in diepte / afstand tussen verschillende objecten binnen het scherpstelgebied.

Je kunt de camera daarmee laten kiezen of deze moet scherpstellen op het object dat zich op de voorgrond begeeft, of op het object dat zich achter het voorste object bevindt. Dat verklaart ook de keuzes die je kunt maken binnen deze parameter.

Midden – Wanneer je kiest voor de optie ‘Midden’ laat je het autofocussysteem van de camera weten dat ongeacht wat er ook binnen het scherpstelkader gebeurt de camera niet zonder meer mag overschakelen naar een nieuw object dat zich dichterbij de camera bevindt (op de voorgrond). De camera zal dus trachten de scherpstelling te behouden op het onderwerp waarop in eerste instantie  werd scherpgesteld.

De optie ‘midden’ is daarmee handig in situaties waarin het zicht op een bepaald onderwerp tijdelijk wordt geblokkeerd en waarbij je de keuze hebt gemaakt om specifiek dat onderwerp te willen fotograferen.

Voor – Bij de optie ‘Voor’ gebeurt eigenlijk het tegenovergestelde. Je laat het autofocussysteem van je camera dan weten dat de camera altijd op het voorste object moet scherpstellen. Heb je dus scherpgesteld op een bepaald onderwerp en wordt dat onderwerp ingehaald door een ander object, dan zal de camera automatisch overschakelen naar dit nieuwe object en dit zien als het nieuwe onderwerp dat je wil gaan fotograferen.

De optie ‘Voor’ selecteer je bijvoorbeeld voor onderwerpen die plots in beeld verschijnen, of waarbij je wil dat je het voorste object  scherp in beeld krijgt. Bijvoorbeeld bij de start van een autorace of een hardloopwedstrijd, waarbij je de ‘winnaar’ wil fotograferen.

Auto – Bij de keuze ‘Auto’ zal de camera wisselen tussen het onderwerp waarop in eerste instantie is scherpgesteld en een nieuw object op de voorgrond (dichterbij de camera). Wanneer dit ‘nieuwe’ object het scherpstelgebied weer verlaat, zal de camera weer scherpstellen op het ‘oude’ onderwerp. De keuze voor ‘Auto’ kan handig zijn bij diverse veldsporten zoals voetbal of hockey. ‘Auto’ is overigens de standaard instelling, omdat deze zeer veelzijdig toepasbaar is.

DE AF-C VOORINSTELLINGEN

Nu je weet welke parameters er worden gebruik voor het autofocussysteem van je camera en de manier waarop je camera op onderwerpen scherp stelt, zul je de vijf verschillende voorinstellingen waarover de Fujifilm X-T20 en X-T2 beschikken waarschijnlijk ook beter kunnen begrijpen.

De vijf verschillende voorinstellingen die Fujifilm al voor je heeft ingeprogrammeerd kunnen voor een flink aantal situaties worden toegepast. Zo zal er waarschijnlijk altijd wel een instelling zijn die je voor een specifieke fotografische situatie kunt gebruiken. Gebruikers van een Fujifilm X-T2 kunnen zelf nog een zesde eigen voorinstelling maken, die gebaseerd zal zijn op de bovenstaande drie parameters. Daarmee kun je het autofocussysteem en de wijze waarop je camera moet reageren op bewegende onderwerpen naar eigen hand instellen.

1. Multifunctioneel

Trackinggevoeligheid: 2
Snelheid Trackinggevoeligheid: 0
Zonegebied Wisselen: AUTO

Het zal je waarschijnlijk niet verbazen dat een voorinstelling met de naam ‘Multifunctioneel’, de standaard instelling is voor je camera. Dit is overigens ook de instelling die wordt toegepast als standaardinstelling voor het autofocussysteem van de X-Pro2. Deze voorinstelling is geschikt voor het volgen van een groot aantal bewegende onderwerpen. Met name voor onderwerpen die een gelijkmatige snelheid behouden.

Wanneer gekozen wordt voor de instelling ‘multifunctioneel’, dan zal de camera – wanneer een onderwerp tijdelijk aan het zicht onttrokken is – daarmee dus pas na 0,6 seconde van de ‘achtergrond’, naar de ‘voorgrond’ scherpstellen. De camera gaat daarbij uit van een onderwerp dat zich met een constante snelheid voortbeweegt.

Deze instelling is een prima instelling voor de meeste gebruikers van een X-T2 of X-T20, omdat deze instelling toegepast kan worden voor talloze situaties.

Wie de camera en het autofocussysteem na verloop van tijd wat beter leert kennen, leert daarmee ook de beperkingen kennen die met deze instelling samengaan. Als je het echt lastig vind om een onderwerp te volgen, of wanneer je toch niet de juiste scherpte met deze instelling weet te verkrijgen dan kun je natuurlijk altijd één van de andere voorinstellingen proberen.

Afbeelding: Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden.

2. Obstakels negeren

Trackinggevoeligheid: 3
Snelheid Trackinggevoeligheid: 0
Zonegebied Wisselen: MIDDEN

De voorinstelling ‘obstakels negeren’ is een ideale instelling wanneer je weet dat het te fotograferen onderwerp regelmatig aan het zicht onttrokken wordt, of wanneer je deze zelf lastig kunt volgen omdat het onderwerp telkens kort even buiten je scherpstelzone komt.

Het volgen van onderwerpen die telkens aan het zicht onttrokken worden is met deze instelling eenvoudiger. Dat komt omdat de wachttijd om op een ‘nieuw’ object scherp te stellen is verlengt naar 0,9 seconde. Bovendien zal het autofocussysteem van de camera zo ingesteld worden dat deze niet direct op een onderwerp zal scherpstellen dat zich dichterbij de camera bevind.

Wanneer ik het lastig vind om scherpte te verkrijgen op een bepaald onderwerp, dan is dit de instelling die ik vaak het eerst probeer. Wanneer je deze instelling gebruikt kun je onderwerpen vaak creatiever fotograferen, terwijl de scherpte op het te fotograferen onderwerp behouden blijft.

Afbeelding: Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden.

3. Versnellende en Vertragende onderwerpen

Trackinggevoeligheid: 2
Snelheid Trackinggevoeligheid: 2
Zonegebied Wisselen: AUTO

Met snelheid trackinggevoeligheid op stand 2 en doordat er automatisch tussen het voorste of achterste object gewisseld wordt, is dit een ideale instelling voor onderwerpen die zich onregelmatig en wat onvoorspelbaar voortbewegen.

Enkele voorbeelden hiervan zijn auto- en motorsporten, maar je kunt ook denken aan veldsporten, waarbij je de speler op de voorgrond scherp in beeld wil houden.

Deze instelling is met name geschikt om te gebruiken in combinatie met (tele)objectieven die zijn voorzien van een lineaire motor, vanwege hun mogelijkheid om extra snel scherp te kunnen stellen.

Deze instelling werkt daarom het beste in combinatie met de volgende objectieven:

– XF 90MM F2.0 R LM WR

– XF 16-55MM F2.8 R LM WR

– XF 50-140MM F2.8 R LM OIS WR

– XF 100-400MM F4.5-F5.6 R LR OIS WR

Afbeelding: Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden.

4. Plots in beeld verschijnende onderwerpen

Trackinggevoeligheid: 0
Snelheid Trackinggevoeligheid: 1
Zonegebied Wisselen: VOOR

‘Plots in beeld verschijnende onderwerpen’ is een andere zeer handige voorinstelling waar de camera over beschikt. Met deze instelling zal het autofocussysteem direct reageren op nieuwe objecten die binnen het scherpstelgebied verschijnen. De focusprioriteit is daarbij zo ingesteld dat de camera altijd direct scherpstelt op het voorste object.

Doordat het autofocussysteem van de camera bij deze instelling zeer snel kan reageren is ook deze instelling handig bij een grote variëteit aan onderwerpen. Zo kun je bijvoorbeeld eerst kadreren om daarna direct de foto te kunnen maken wanneer het onderwerp binnen het scherpstelgebied verschijnt.

Deze instelling is er eentje die je zeker even moet proberen op het moment dat je moeite hebt met het verkrijgen van een goede continu scherpstelvergrendeling. Een belangrijke voorwaarde daarbij is wel dat je vrij zicht kunt houden op het te fotograferen onderwerp, want een (nieuw) object op de voorgrond zal al snel de continu scherpstelvergrendeling verbreken.

Afbeelding: Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden.

5. Onvoorspelbaar bewegende onderwerpen

Trackinggevoeligheid: 2
Snelheid Trackinggevoeligheid: 2
Zonegebied Wisselen: AUTO

Voorinstelling vijf voor ‘onvoorspelbaar bewegende onderwerpen’, is bedoeld om de scherpstelling op het onderwerp niet direct te verliezen als deze even niet zichtbaar is, of bij het volgen even kortstondig buiten het scherpstelkader raakt. Door gebruik te maken van ‘snelheid trackinggevoeligheid’ op stand 2, is het autofocussysteem — mits er voldoende omgevingslicht is — in staat zeer snel te reageren op aanpassingen in snelheid van het te fotograferen onderwerpen.

Zonegebied wisselen staat bij deze voorinstelling op ‘Auto’. Dat wil zeggen dat de camera zal scherpstellen op het onderwerp waarop je in eerste instantie hebt scherp gesteld. Mocht er een nieuw object in beeld komen dat zich op de voorgrond bevind, dan zal de camera automatisch daarop scherpstellen, tot het moment dat dit object het scherpstelgebied weer verlaat. De camera schakelt daarna automatisch terug op het initieel gevolgde onderwerp.

Deze voorinstelling is daarom uitermate geschikt voor onderwerpen die veel snelheidswisselingen kennen en die lastig te volgen zijn. Denk daarbij aan voetbal, hockey of basket ball. Maar ook aan bijvoorbeeld het fotograferen van rondrennende kinderen. Deze optie is ook geschikt voor het volgen en fotograferen van bijvoorbeeld jagende roofvogels. Ook hier gaat op dat deze optie het best gebruikt kan worden met objectieven die beschikken over een lineaire motor.

Afbeelding: Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden.

6. Eigen instelling (Fujifilm X-T2)

Trackinggevoeligheid: 0 – 4
Snelheid Trackinggevoeligheid: 0 – 2
Zonegebied Wisselen: MIDDEN – AUTO – VOOR

Optie zes is alleen beschikbaar als je over een Fujifilm X-T2 beschikt. Deze optie is bedoeld voor het maken van je eigen autofocusinstelling. Standaard is deze instelling gelijk aan de optie ‘multifunctioneel’, maar door de joystick achterop je camera te gebruiken en daarna het voorste instelwiel te gebruiken kun je zelf de verschillende parameters wijzigen.

Op deze manier kun je het autofocussysteem van je Fujifilm X-T2 dus optimaliseren naar jouw smaak. De gekozen instelling zal automatisch door de camera worden opgeslagen, zodat deze ook voor een volgende keer direct door jou gebruikt kan worden.

Stel je wil iets fotograferen waarbij het te fotograferen onderwerp regelmatig even uit zicht verdwijnt. Dan is het verstandig om de parameter ‘trackinggevoeligheid’ niet direct te laten reageren. Een instelling van 3 of 4 werkt dan vaak beter dan 0 of 1. Als je niet zeker bent dan is 2 altijd een goed begin.

De vertraging tussen overschakelen van achtergrond naar voorgrond (obstakels negeren), is bij ieder van de instellingen telkens 0.3 seconde langer. Bij 0 wordt er dus direct overgeschakeld, terwijl bij een instelling van 4 het autofocussysteem 1.2 seconde zal wachten voordat deze van de achtergrond, naar de voorgrond overschakelt.

Het onderwerp dat je wil fotograferen begeeft zich buiten. Het is mooi helder weer. Een instelling voor de parameter ‘snelheid tracking gevoeligheid’ van ‘2’ zal je dan zelden teleurstellen.

Fotografeer je echter binnen (bijvoorbeeld een sporthal) dan is het verstandig om eerst te beginnen met een instelling van 1. Als de camera bij die instelling goed kan scherpstellen kun je eventueel kijken hoe de camera reageert bij een instelling van ‘2’.

Als de camera nu meer moeite heeft met scherpstellen, laat je deze instelling het best staan op 1. Ga je voor de grootste nauwkeurigheid en zijn er weinig wisselingen in snelheid, of heeft de camera alsnog moeite met scherpstellen van het te fotograferen onderwerp, dan stel je de camera in op ‘0’.

De parameter ‘Zone-Wisselen’ werkt alleen als de camera staat ingesteld op ‘Zone-AF’. Wil je de scherpstelling behouden op een bepaald onderwerp, kies dan voor ‘Midden’ of ‘Auto’. Wil je dat de camera automatisch overschakeld tussen de achtergrond en voorgrond omdat een nieuw object binnen het scherpstelkader belangrijker is dan het initiele onderwerp dan kies je voor ‘Auto’ of ‘Voor’.

Je ziet dat ik in beide gevallen ‘Auto’ heb genoemd als optie voor de parameter ‘Zone Wisselen’. Dat komt omdat automatisch schakelen tussen voor en achtergrond geheel afhankelijk is van wat en hoe jij wil fotograferen.

Ik heb je geen ‘eigen’ instelling gegeven omdat er geen ‘goede’, ‘foute’ of ‘optimale’ instelling bestaat. Er is alleen een instelling die voor jou in die specifieke situatie het beste werkt. Dat kan dus voor iedere situatie een andere instelling zijn. Spelen met deze parameters en kijken hoe deze voor jou uitwerken is het enige advies dat ik je hierin kan geven.

Afbeelding: Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden.

TOT SLOT

Tot slot wil ik je zeggen dat het autofocussysteem van deze nieuwe generatie Fujifilm camera’s enorm is verbeterd ten opzichte van de vorige generatie. Wie al gewerkt heeft met een X-T2 of X-T20 zal kunnen beamen dat het gevoel voor wat betreft het autofocussysteem zich nu veel meer gedraagt zoals je altijd gewend bent geweest met je ‘oude’ spiegelreflexcamera. Sterker nog, met een beetje oefening zul je al snel merken dat het autofocussysteem van de X-T2 of X-T20 net zo goed, of zelfs beter werkt.

Meer weten over Fujifilm X camera’s?

Ben je al een Fujifilm gebruiker, of zou je graag meer willen weten over Fujifilm X camera’s, dan is er ook een hele leuke Facebook groep die ik onderhoud en waar je lid van kunt worden. ‘Fujifilm X-Serie Vraagbaak en Foto’s‘, is momenteel de grootste Fujifilm X community van de Benelux. Klik op deze tekst om lid te worden van deze groep.

Featured afbeelding: © Greg Theulings – Alle Rechten Voorbehouden

error: